Meerkoet

Door: Floris Wouterlood - 29 november 2018

Meerkoeten zijn weinig spectaculaire watervogels. Ze zijn een beetje plomp, zien er even vrolijk uit als de regentessen van een oudenmannenhuis tijdens de Gouden Eeuw, maken vreemde “biets-biets”, en “kouw-kouw”¬†geluiden en lijken in het water maar een beetje aan te modderen. Een afstandelijke vogel die soms een beetje hooghartig overkomt, het type “laat me met rust, ik dop mijn eigen boontjes wel”.

Goed beschouwd is de meerkoet een interessante vogel die veel in ons land voorkomt. Je vindt ze net zo goed op grote wateren, plassen en meren als in de Leidse singels. Een echte aanpasser, dus. Buiten de broedtijd komen er grote groepen doortrekkers en wintergasten in ons land. Broeden doen ze overal waar ze maar met bijeengesprokkelde rommel een drijfnest kunnen maken. Paartjes blijven hun hele leven bij elkaar. Nesten worden liefst aan de waterkant gebouwd. Als een nest klaar is en goedgekeurd legt het vrouwtje 5 tot 10 grijswitte tot zandkleurige, donker gevlekte eieren en gaat er 21 tot 25 dagen op broeden. Pas uit het ei gekomen kuikens zien er niet uit met hun rossige kopies. Het zijn nestvlieders. De jongen worden door beide ouders begeleid en kunnen al na ongeveer 8 weken vliegen. Dat wil zeggen als ze die tijd overleven. Meeuwen, reigers en snoeken smikkelen en smullen graag weerloze meerkoetkuikens. Gaan de kuikens dood of worden ze opgegeten, dan beginnen de ouders meteen een nieuw nest. Een meerkoet wordt gemiddeld tien jaar oud.

De meerkoet zoekt zijn kostje het liefst onder water. Het zijn goede duikers, en ze zoeken al duikend alles wat lekker is, bij voorkeur waterplanten en kleine waterdieren. Op het land eten ze bessen, gras en zaden. Ze kunnen heel goed vliegen maar rennen eerst over het water alsof het een startbaan is waarop ze vaart moeten maken.