De hoefslag van het Leidse paard

Door: Louis Smit - 12 oktober 2021

Blijf in het Singelpark even stilstaan, doe je ogen een moment dicht, ga in gedachten terug in de tijd en stel je voor dat je overal gehinnik en het geluid van paardenhoeven hoort en dat de odeur van verse paardenmest in je neusgaten dringt.

Het paard is uit het Leidse straatbeeld verdwenen, maar langs het Singelpark herinneren diverse dingen nog aan de ruime aanwezigheid van paarden in vroeger dagen.
Paarden waren er voor personenvervoer, goederentransport, uitvaarten, ontspanning. En, aan het eind van de rit, diende paardenvlees als voedsel voor de mens. Rond het uitgebreide gebruik van paarden bestond eeuwenlang een hele bedrijfstak: van hoefsmeden en wagenmakers tot tuigmakers, van diervoederleveranciers en paardenmestinzamelaars tot paardenslagers.
Nog in de tweede helft van de 20e eeuw ging de groenteboer met paard en wagen zijn klanten af. Dat ging in lijn met de verzuiling: was deze groenteboer katholiek dan had hij gewoonlijk katholieke klanten, was hij protestants dan waren zijn klanten dat meestal ook. Ook andere leveranciers waren afhankelijk van paardenkracht, zoals brandstofhandelaren, melkboeren, bierbrouwerijen en schillenboeren. Huurkoetsiers jakkerden met hun calèches door de stad, orgeldraaiers lieten hun draaiorgel trekken door een paard en zij rammelden met een mansbakje. Verder waren er paarden die trekschuiten trokken en rond 1900 was er een paardentram in Leiden.

Stalhouderij

We doen een rondje ‘Singelpark linksom’ en beginnen onze paardenroute op de Haven, waar een stalhouderij was gevestigd. Dat is op een steenworp afstand van de Zijlpoort bij de Herensingel. In de bakstenen gevel van Haven 44 zien we tussen de vensters van de eerste verdieping een gevelsteen met in reliëf de afbeelding van een springend paard. Vóór 1940 was daar de stalhouderij van de gebroeders Van Vliet gevestigd.

Vanaf de Zijlpoort lopen we richting het Blekerspark, langs de Rooms-Katholieke Begraafplaats Zijlpoort. Aan de overkant ligt de Os en Paardenlaan, een zijstraat van de Herensingel. Op de hoek staat het gebouw van de rooms-katholieke “Heilig Hartschool”, gebouwd in 1924. Dat heeft verder niets met paarden te maken, maar de zakelijk-expressionistische bouwstijl heeft iets onheilspellends. Wegwezen dus, in galop.
Een stuk verder zie je aan de Maresingel gebouwen van het voormalige Leidse slachthuis liggen, symbool van het einde van een dierenleven. Het gebeurde geregeld dat een paard in het harnas, voor een wagen, letterlijk door zijn hoeven ging en moest worden afgemaakt. “Als paarden sterven snuiven ze”, zegt de Rus Velimir Chlebnikov (1885 – 1922) in een van de Muurgedichten in Leiden. Het vlees belandde dikwijls bij gespecialiseerde paardenslagers.

Trekschuit en schuitpraatjes

Aan de Rijnsburgersingel zie je vanaf het Singelpark een bord van de Stallen van Van Gend & Loos. Van Gend & Loos waren de pakketbezorgers van toen. We zijn dan overigens niet ver van de plaats waar ooit de Marepoort stond. Daarvandaan vertrok de trekschuit naar Haarlem. Een trekschuit werd getrokken door een paard dat over een zogenoemd jaagpad liep. De begeleider van dat paard werd een jagertje genoemd. Hollandse landeigenaren waren verplicht om stroken grond langs een waterweg vrij te houden opdat daar paarden konden lopen.
De schrijver Nicolaas Beets (1814-1903; pseudoniem: Hildebrand) schreef in Leiden zijn beroemde boek “Camera Obscura”. Een plaquette op Breestraat 114 getuigt daarvan. In dat boek gaat hij flink tekeer tegen het reizen per trekschuit: “ ‘t Is waar, men kan er in lezen, domino spelen, dammen en, zoo de schipper inkt aan boord heeft en gij eene pen hebt medegebracht (want de zijne is tot boven toe zwart), zelfs schrijven. Maar vooral is er in de trekschuiten een praatgenius van een ellendig soort. De schuitpraatjes bestaan geregeld uit dezelfde ingrediënten en vallen eenstemmig in denzelfden toon. Schuitanecdoten zijn volkomen onverdragelijk; en dan dat afgrijselijk dikwijls herhaald gevraag: ‘hoe ver zijn we al, schippertje?’. ”

 

Paardenmarkt

Vanaf de Rijnsburgersingel zie je Molen de Valk. Vlakbij die molen doen straatnamen als Beestenmarkt en Lammermarkt denken aan Leiden als voormalig centrum van veehandel. Boeren uit de omtrek kwamen met paard en wagen. Ook werden er paarden verhandeld. Over een paardenmarkt in juni 1915 wordt opgemerkt: “In weerwil van den oorlogstoestand was de handel nog zeer levendig, waaruit wel afgeleid mag worden, dat in ons land, voor het tegenwoordige althans, geen gebrek aan paarden heerscht; er waren pl.m. 200 paarden.”

Paardentram

Zo zijn we niet ver van het Stationsplein, als we op de Singelwandeling bij Stadscafé Van der Werff oversteken naar het Museum van Volkenkunde. Tussen 1879 en 1911 reed er in Leiden een paardentram. Het paardentramnet verbond het Stationsplein via de Breestraat en de Hogewoerd met de Plantage (onderdeel van het huidige Singelpark). Een tweede lijn takte bij de Blauwpoortsbrug van de eerste af en liep via de Haarlemmerstraat naar de Haven. De totale netlengte bedroeg 3,2 kilometer. De remise en de stallen bevonden zich bij het eindpunt Plantage. Het paardentramnet werd aanvankelijk geëxploiteerd door de Fa. Crans & Co. uit Den Haag onder de naam L.T.M. (Leidsche Tramway Maatschappij), maar het veranderde twee keer van eigenaar.

Wagenmaker

Vanaf Volkenkunde vervolgen wij onze Singelwandeling via het Rembrandtpark en lopen langs het water richting restaurant Tabú. Sla je even de hoek om, de Groenhazengracht op, en ga je naar links bij de Oude Varkenmarkt, dan zie je daar op nummer 13 de gevel van Rijtuig en Wagenmakerij van J.J. de Groot. In 1913 kocht wagenmaker Johan Jacob de Groot dit pand. Een van de twee zoons stapte in 1951 wegens ziekte uit de zaak. Daarna zette de andere zoon, Johan Jacob Nicolaas, het bedrijf alleen voort. Dit deed hij tot op hoge leeftijd.

Manege

Als we de Singelwandeling weer voortzetten, komen we bij de Hortus Botanicus. Daarvandaan nemen we de route via het Rapenburg en de Kaiserstraat tot de Sterrenwachtlaan bij de Boisotkade. Op de Kaiserstraat hangt een paardenhoofd boven een poort. Dat is de ingang van de voormalige Rijksuniversiteitsmanege. Ik word er altijd blij van als ik erlangs kom. Als adolescent kreeg ik er mijn eerste paardrijles op de rustige Scarlett, wildere avonturen beleefde ik op de bokkige Wicklow. De 30-jarige schimmel Shalill was het paard waarop manegedirecteur Kok altijd meereed in de 3 oktoberoptocht. Ik bracht een deel van mijn vakanties door in de stal: paarden roskammen, boxen uitmesten en de dieren voer geven, met als beloning een gratis uurtje paardrijden in de binnen- of de buitenbak.
“De Bak” werd dus later niet voor niets de naam van de studentenmensa die op de plaats kwam van de manege. De universiteit maakte met deze mensa haar reputatie waar als “Alma mater” (“voedende moeder”).  Tot 2001 werd er achter de gevel met het paardenhoofd gezorgd voor eenvoudige doch voedzame maaltijden voor studenten.

(foto’s en documentatie verzameld door Louis Smit)